|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
In november 2003 verscheen in "Mandogita", het blad van het Nederlandse Verbond van Mandoline Orkesten, een werkbespreking over het boek "Androcles en de leeuw": voor mandoline, mandola en gitaar. Androcles en de leeuw. op. 56 - Margriet Verbeek Ineens krijg je een stuk onder ogen waarvan je denkt, "hé een onbekende mandolinecomponist en wat een leuk werk". Zo'n werk is Androcles en de leeuw, voor mandoline, mandola en gitaar. Een verhaal uit de Griekse oudheid over een slaaf die wegliep omdat hij er niet meer tegen kon slaaf te zijn. In het bos ontmoet hij een leeuw die hem gevaarlijk grommend tegemoet komt. Androcles vreest verslonden te worden, maar ziet dan dat de leeuw niet gromt van honger, maar van de pijn van een doorn in zijn poot. Androcles trekt de doorn eruit en dat is het begin van vriendschap tussen de man en de leeuw. Samen wonen ze lange tijd in een hol in het woud, totdat er op een dag kwade soldaten komen die Androcles gevangen nemen. |
Na een lange periode in de kerker krijgt hij te horen dat hij voor de leeuwen geworpen zal worden. Doodsbang betreedt Androcles de arena, maar dan ziet hij de leeuw: het is zijn grote vriend. Zielsgelukkig omarmt hij de leeuw die hem likt van blijdschap. Het publiek in de arena is uitzinnig van enthousiasme en de keizer staat op en zegt dat Androcles een wens mag doen. Dat is natuurlijk "vrijheid voor hem en de leeuw". Ze gaan samen naar het bos terug en wonen daar de rest van hun leven in vrijheid. De compositie bestaat uit vier delen: - Androcles ontmoet de leeuw - In de kerker - In de arena - Twee vrienden in het woud. Het is geschreven in een hedendaagse toonspraak, met hele leuke klankeffecten. Het is middelhoog speelniveau en te bestellen via de componiste. Info kan men ook nog vinden op haar website. Annemie Hermans |
|
In het november/december nummer van het tijdschrift "De Klarinet" verscheen in 2002 de volgende recensie over het boek "Sonatine". Sonatine, opus 23, Voor twee besklarinetten en basklarinet. Margriet Verbeek Sonatine is een korte driedelige compositie voor twee besklarinetten en een basklarinet. Margriet Verbeek beschrijft haar gedachten bij dit werkje zelf: "niet als een liedje, niet als een verhaal is deze muziek, maar als van heel ver, als van achter de sterrenhemel." De samenklanken zijn "modern" te noemen en roepen een duistere maar ook sombere wereld op waarin af en toe, in de vorm van staccato motiefjes, enkele sterren oplichten. Ritmisch is het stuk, ondanks de nodige maat- wisselingen, conventioneel te noemen; er is een duidelijke cadans, wat het samenspelen vergemakkelijkt. |
Lastig zijn misschien de kwartentriolen in het tweede deel (Adagio). Door het langzame tempo kan het moeilijk zijn deze kwartentriolen goed te timen. Hoewel Sonatine geen onoverkomelijke virtuoze eisen aan de spelers stelt, is het hier en daar, met name voor de eerste klarinet, technisch lastig. Er moeten in zachte passages regelmatig grote sprongen gemaakt worden van het klarinetregister naar het hoge (aigu-) register en terug. Sonatine is niet direct toegankelijke muziek, maar als men er enige repetitietijd in wil steken, valt er voor spelers en luisteraars toch veel in te ontdekken. Coen Wolfgram, Rotterdams Klarinetkwartet |
|
In het november/december nummer van het tijdschrift "De Klarinet" verscheen in 2002 de volgende recensie over het boek "Vogels". Vogels, opus 54, Voor besklarinet en tenorsaxofoon (of basklarinet) Margriet Verbeek Vogels van Margriet Verbeek is een duet, geschreven voor besklarinet en tenorsaxofoon, waarvan de tenorsaxofoonpartij ook gespeeld kan worden door een basklarinet. Het werk bestaat uit vier delen: Twee kluten op reis naar het zuiden, Turkse tortels, Futenbalts en Zwanenzang. De eerste drie delen zijn geschreven in 2002; vreemd genoeg stamt de Zwanenzang uit 1991. Vogels is uitgegeven door Margriet Verbeek zelf, in een eenvoudige maar zeer verzorgde band met een partituur en twee losse partijen. Ieder deel heeft in de partituur een korte toelichting en een pentekening van de betreffende vogel. De teksten kunnen bij een uitvoering van het werk ter verduidelijking van het programmatische karakter door een van de spelers voorgelezen worden. In het eerste deel (Andantino Moderato) is de reis van de Kluten naar Afrika in de muziek te volgen; vanuit Maasland (waar de componiste woont) vliegen zij door de nacht om tenslotte te landen op de plaats van bestemming. In het tweede deel (Andante Moderato) worden de Turkse tortels uitgebeeld door staccato noten met in elkaar grijpende (complementaire) ritmes, afgewisseld met een aantal Turks klinkende melodietjes. Bij het uitvoeren van het derde deel (Allegretto) stelt de componiste zich voor dat de beide spelers tegenover elkaar gaan zitten |
(als baltsende futen), waarbij een losse partij op een tafel tussen hen in ligt. Beide instrumentalisten spelen van boven naar beneden, wat betekent dat de ene speler gewoon speelt, terwijl de andere het stuk op zijn kop speelt, van achteren naar voren (gespiegeld en in de kreeft). Deze podium- opstelling maakt de componeertechniek voor het publiek optisch duidelijk, maar levert een verre van ideale speelhouding op. (Twee klarinettisten die voorovergebogen hun muziek lezen van een platte tafel, zijn de schrik van iedere docent). In het vierde deel (Adagio) worden twee loom zingende zwanen in muziek verbeeld. In dit laatste en langste deel sterft de zwaan in een zacht diminuendo. Het geheel is sterk polyfoon gecomponeerd in een gematigd modern idioom. Beide partijen bestrijken een groot deel van de omvang van het instrument: klarinet van g klein tot fis''', tenorsax van c klein tot d'' (klinkend). Een basklarinet kan lager dan een tenorsax; voor een basklarinet is het stuk dus relatief hoog geschreven, maar het kan prima. Er komen verschillende maatsoorten in voor zoals 4/4, 3/4, 5/8, 3/2, 1/2, 1/4 en vele maatwisselingen. Desondanks is het ritmisch betrekkelijk eenvoudig. Het werk is voor een gevorderde amateur op (Hafabra) C-niveau speelbaar. Bovendien is Vogels voor de luisteraar prettig toegankelijke muziek, zeer geschikt als kennismaking met nieuwe muziek. Coen Wolfgram, Rotterdams Klarinetkwartet |
|
In maart 2002 verscheen in "Fluit", het tijd- schrift van het Nederlands Fluit Genootschap, een artikeltje over het boek "'n Zomeravondwandeling": Margriet Verbeek, 'n Zomeravondwandeling voor fluit en piano opus 50; drie Bagatellen opus 20 voor fluit solo. Uitgave in eigen beheer. Stel je voor: een muziekschoolleerling die vier jaar les heeft gehad en muzikaal echt iets te vertellen heeft vraagt om muziek voor fluit en piano om te spelen tijdens een huisconcertje. Wat geef je dan als docent mee? Dat is best lastig: de Sicilienne van Faure is wat afgezaagd, de Romance van Saint-Seans is nog wat moeilijk en werken van Ibert of Caplet zijn ook wat hoog gegrepen. Misschien de Romance van Honnegger, de Cavatine van Dubois of de Three pieces van Alwyn? |
Dergelijke kleinoodjes zijn weliswaar zeer geschikt, maar de keus blijkt tamelijk beperkt te zijn. Daarom is Verbeeks opus 50 werkelijk een schot in de roos. Zij is er in geslaagd met betrekkelijk eenvoudige middelen elegante en sfeervolle muziek te compo- neren, die toch verrassend klinkt en blijft boeien. Voor leerlingen is het een uitstekende oefening in expressie en voorstellingsvermogen. Margriet Verbeek geeft haar werk uit in eigen beheer. Behalve de Zomeravondwandeling en de Bagatellen voor fluit bevat de bundel ook drie Bagatellen opus 19 voor piano. Het boek ziet er goed verzorgd uit en is prima leesbaar. Alwin de Vries |